Hoeveel spaargeld mag je belastingvrij hebben in 2026?

Hoeveel spaargeld mag je belastingvrij hebben in 2026?

In 2026 mag je als alleenstaande €59.357 aan vermogen hebben zonder dat je er belasting over betaalt. Heb je een fiscale partner, dan geldt het dubbele: samen €118.714. Dit bedrag heet het heffingsvrij vermogen en het is de grens waaronder de Belastingdienst je spaargeld en beleggingen in box 3 met rust laat. Pas over het deel dat boven die grens uitkomt, betaal je vermogensbelasting. In dit artikel leggen we uit hoe de berekening precies werkt, wat er allemaal meetelt en hoe je zelf kunt inschatten wat je moet betalen.

Wat telt mee als vermogen in box 3?

Het heffingsvrij vermogen gaat niet alleen over de spaarrekening. De Belastingdienst kijkt op 1 januari van het belastingjaar (de zogeheten peildatum) naar je totale bezittingen in box 3. Daaronder vallen spaargeld op Nederlandse en buitenlandse rekeningen, beleggingen zoals aandelen, obligaties en fondsen, cryptovaluta, een tweede woning of vakantiehuis, uitgeleend geld en contant geld boven een kleine vrijstelling. Je eigen woning valt er niet onder, die zit in box 1. Ook de auto, de inboedel en je pensioenopbouw blijven buiten beeld.

Schulden mag je van je bezittingen aftrekken, maar pas boven een drempel. Denk aan een studieschuld of een consumptief krediet. De hypotheek van je eigen woning hoort hier niet bij, want die is al aan box 1 gekoppeld.

Zo werkt de berekening in 2026

De Belastingdienst rekent in box 3 nog steeds met veronderstelde rendementen, niet met wat je werkelijk aan rente of koerswinst hebt behaald. Voor 2026 gelden drie forfaitaire percentages: voor banktegoeden een laag percentage van 1,28 procent, voor overige bezittingen zoals beleggingen en een tweede woning 6 procent, en voor schulden een aftrekpercentage van 2,70 procent. Over het zo berekende rendement betaal je vervolgens 36 procent belasting.

Belangrijk om te weten: het heffingsvrij vermogen wordt niet simpelweg van je spaargeld afgetrokken waarna je over de rest belasting betaalt. De berekening loopt via het rendement. Eerst berekent de Belastingdienst je totale forfaitaire rendement, daarna wordt bepaald welk aandeel van je vermogen boven de vrijstelling uitkomt, en alleen over dat evenredige deel van het rendement betaal je de 36 procent.

Rekenvoorbeeld: alleenstaande met €80.000 spaargeld

Stel, je bent alleenstaand en hebt op 1 januari 2026 precies €80.000 op je spaarrekening staan en verder geen bezittingen of schulden in box 3. De berekening gaat dan zo:

Je forfaitaire rendement is 1,28 procent van €80.000, oftewel €1.024. Je grondslag (het deel boven de vrijstelling) is €80.000 min €59.357 = €20.643. Dat is 25,8 procent van je totale vermogen. Je belastbare rendement is dus 25,8 procent van €1.024, ongeveer €264. Daarover betaal je 36 procent belasting: zo'n €95 op jaarbasis. Voor een spaarder valt de heffing dankzij het lage forfait op banktegoeden dus mee.

Had je diezelfde €80.000 volledig in aandelen zitten, dan rekent de fiscus met 6 procent rendement: €4.800. Het belastbare deel is dan 25,8 procent daarvan, ruim €1.238, en de heffing komt uit op ongeveer €446. Het maakt in box 3 dus flink uit in welke vorm je vermogen aanhoudt.

Fiscale partners: verdelen mag

Met een fiscale partner mag je het gezamenlijke vermogen in de aangifte vrij verdelen. Samen heb je €118.714 vrijstelling. Die verdeling kan slim uitpakken wanneer een van beide partners bijvoorbeeld recht heeft op toeslagen, want voor de huurtoeslag en zorgtoeslag gelden aparte, lagere vermogensgrenzen. Kom je met je vermogen net boven zo'n toeslaggrens uit, dan kan dat meer kosten dan de box 3-heffing zelf. Het loont dus om verder te kijken dan alleen het heffingsvrij vermogen.

Werkelijk rendement lager? Maak bezwaar via de tegenbewijsregeling

Sinds de rechterlijke uitspraken over box 3 bestaat er een tegenbewijsregeling. Kun je aantonen dat je werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire rendement waarmee de Belastingdienst rekent, dan mag je uitgaan van dat werkelijke rendement. Dat is vooral interessant voor beleggers die een slecht jaar hebben gedraaid of voor mensen met een tweede woning die niet in waarde is gestegen. Je moet je werkelijke rendement dan wel goed kunnen onderbouwen met jaaroverzichten en waardegegevens.

Blijf je onder de grens? Dan hoef je niets te doen

Blijft je totale vermogen op 1 januari onder de €59.357 (of €118.714 met partner), dan betaal je geen belasting in box 3. Je vult je banktegoeden wel gewoon in bij de aangifte inkomstenbelasting; de Belastingdienst heeft de meeste gegevens overigens al vooraf ingevuld via je bank. Er is geen aparte vrijstelling per rekening: het gaat om het totaal van al je bezittingen samen.

Tot slot

De grens voor belastingvrij vermogen ligt in 2026 op €59.357 per persoon. Zit je daar ruim onder, dan hoef je je nergens zorgen over te maken. Kom je erboven, kijk dan vooral naar de samenstelling van je vermogen, de verdeling met je fiscale partner en de vermogensgrenzen voor toeslagen. En hou de politiek in de gaten: het box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement staat al jaren op de planning, dus de regels kunnen de komende jaren opnieuw veranderen.